Theo en Harry

november 8, 2010

Theo en Allah

Dinsdag 2 november 2010 was het precies zes jaar geleden dat Theo van Gogh werd vermoord. En drie dagen geleden dat Harry Mulisch stierf. Beiden heb ik één keer in mijn leven van zeer dichtbij meegemaakt. Zeg maar zo dichtbij dat ik ze kon ruiken.

Dat was tijdens een signeersessie die Theo van Gogh hield in boekwinkel Scheltema (nu: Selexys) op het Koningsplein, naar aanleiding van het verschijnen van zijn columnbundel Allah weet het beter. Vrijdag 29 oktober 2003. Een asgrijze dag. Een ijle nevel zweefde ter hoogte van je knieën door Amsterdam, alsof onze geliefde hoofdstad een klein café was waar flink werd doorgepaft.

In de aanloop naar die signeersessie was er nog enige commotie geweest. Bij één boekhandel – in Den Haag – waren dreigementen binnengekomen. Theo van Gogh was dat wel gewend, die boekhandel niet. De Haagse signeersessie had onder ‘bewaking’ moeten plaatsvinden. Er gebeurde niks. De signeersessie in Scheltema vond zonder bewaking plaats, de eigen bewaker van Scheltema, als altijd naast het krantenrek, niet medegerekend.

Het was dus niet zonder gevaar dat mijn goede vriend R. en ik die signeersessie bezochten. Met knikkende knieën betraden wij de boekwinkel, om gelijk gerust gesteld te worden door de joviale verschijning van Theo van Gogh die in het midden van Scheltema achter een bureau zat als een lachende Boeddha, waarbij aangetekend moet worden dat Boeddha, wanneer hij lachend is afgebeeld, mij altijd aan een tandeloos debieltje doet denken en een lachende Theo van Gogh niet. Maar het was om aan te geven dat meneer in zijn element was. En nogal aanwezig was. Hij had nu eenmaal niet alleen een persoonlijkheid waarmee je elke ruimte kon vullen, maar ook een bijpassend lichaam.

Ik kocht de bundel niet voor mezelf, maar voor een vriendin die afgestudeerd was en een afstudeerfeestje gaf. Er had zich een kleine rij voor de signerende columnist gevormd. Ik liep langs de rij naar de tafel met boeken, pakte een boek, keek rechts van mij en zag daar een rijzige gestalte staan, in een bruine regenjas gestoken. Het was Harry Mulisch die heel hard zijn best stond te doen om niet te laten blijken dat hij aan het controleren was hoeveel mensen er op Theo van Gogh afkwamen.

Het kan natuurlijk zijn dat Harry Mulisch vooraf niet wist dat Theo van Gogh daar zat te signeren en dat hij, geconfronteerd met deze werkelijkheid, zich nu geen houding wist te geven. Maar dat is niet des Harry’s. Ik denk dat hij erover gelezen had en niet aan de drang had kunnen weerstaan om even een kijkje te nemen. ‘Maar Harry’, zou Harry Mulisch tegen zichzelf hebben gezegd toen hij nog aan het twijfelen was of hij wel of niet zou gaan, ‘straks denkt iedereen dat je daar komt om te kijken hoeveel mensen er op Theo van Gogh afkomen.’ ‘Denk je nou echt’, zou Harry Mulisch zichzelf hebben geantwoord, ‘dat de mensen zullen denken dat jij komt controleren hoeveel volk zo’n Theo van Gogh trekt? Nee, natuurlijk denken ze dat niet. Jij bent Harry Mulisch, jij hoeft toch niet te controleren hoeveel volk zo’n Theo van Gogh trekt? Dat is ver boven je stand, dat weten de mensen. Jij gaat naar Scheltema om te kijken of er nog wel genoeg Ontdekkingen van de Hemel voorradig zijn.’ En gerustgesteld liep Harry Mulisch de Leidsestraat op richting het Koningsplein. Schouders omhoog, hoofd in de kraag, neus fier vooruit.

Daar stond hij dan. Harry Mulisch. Theo van Gogh had er zichtbaar plezier in dat de ‘grijze meester’ langs was gekomen om net te doen alsof hij niet kwam kijken hoeveel volk er op zijn signeersessie af kwam. In zijn eigen verslag vertelde Van Gogh dat zijn uitgever een exemplaar van ‘Allah weet het beter’ aan Mulisch had gegeven.

Ik was inmiddels aan de beurt.
‘Het is voor Hanneke’, zei ik tegen Theo van Gogh. ‘Ze is afgestudeerd.’
‘Waarin?’, vroeg Van Gogh.
‘Psychologie’, zei ik.
‘Dan schrijf ik op: “Voor Hanneke, Klaar met psychologie (toch een overbodige studie). Moge Allah je beware, Theo.”’ En terwijl Van Gogh dit zei, schreef hij het op. Hij overhandigde mij het gesigneerde boek. Ik bedankte beleefd en liep naar de kassa.
Terwijl wij in de rij stonden, vroeg R. of hij mocht zien wat Theo van Gogh had geschreven. Ik gaf hem het boek.
‘Hoe heet dat meisje?’ R. keek bedenkelijk in het boek.
‘Hanneke’, zei ik.
‘Hm’, zei R. en gaf mij het opengeslagen boek. Ik las de aanhef: ‘Voor Allah’, stond er. Ik ging weer terug naar de nog altijd gul lachende schrijver.
‘Neem me niet kwalijk’, zei ik terwijl ik hem op zijn eigen geschreven woorden wees, ‘Maar u heeft: Voor Allah geschreven, terwijl het meisje toch echt Hanneke heet.’
Theo van Gogh nam het boek over. ‘Sorry’, zei hij, ‘ik zal het veranderen.’ Hij kraste het woord Allah door en zette er Hanneke boven. Hij gaf het boek weer aan mij terug: ‘Het Opperbeest was kennelijk in mij gedaald.’
Toen ik weer in de kassarij stond, bedacht ik dat ik had moeten zeggen dat psychologie misschien toch niet zo’n overbodige studie was. Harry Mulisch trok een boek uit de kast.

Dit stukkie verscheen ook op AT5.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: