Politie te fiets

augustus 14, 2009

Politie te fiets

Heeft u wel eens achter een politieagent gefietst? Ik wel. Een half uur geleden nog. En weer viel me op hoe tergend traag politieagenten te fiets fietsen. Alsof ze alle tijd van de wereld hebben. Het deed me denken aan een bloedstollend avontuur dat ik alweer zo’n vier jaar geleden meemaakte. Ik had toen ook achter twee politieagenten te fiets gefietst. Om precies te zijn een half uur voordat ik aan de eerste zin van onderstaand stukje begon.

Ze fietsen altijd met z’n tweeën, politieagenten. Op zogenaamde citybikes, met vermoedelijk 21 versnellingen. En daar maken ze verdomme gebruik van ook. Bij elke verkeersdrempel schakelt de zichzelf respecterende politieagent al terug naar een kleiner verzet. Trouwens, zelfs als de weg zo plat is als een platvis die tijdens het luisteren naar Jacques Brels Le Plat Pays zo opging in de muziek dat hij onder een stoomwals is terechtgekomen, fietst de politieagent al met het soort verzet dat de astmatische grootmoeder van Armstrong nog niet zou kiezen als ze de Mont Ventoux zou beklimmen.

Vooral de mannelijke politieagent maakt gebruik van de versnellingsmogelijkheden van zijn dienstfiets. Om met zijn kennis van de techniek indruk te maken op zijn vrouwelijke collega. Fietsende politieagenten rijden namelijk niet alleen altijd in koppels, maar bestaan meestal ook nog eens uit een man en een vrouw. En door bij elke oneffenheid op de weg terug te schakelen naar een kleinere versnelling, zegt de mannelijke politieagent tegen de vrouwelijke: wij hebben dan wel dezelfde opleiding met succes afgerond en jij zelfs misschien wel met meer gemak dan ik, en jij bent dan wel net zo bevoegd als ik om een wapen te gebruiken, en we beheersen allebei dezelfde verdedigingstechnieken, en mochten we door een junk met zijn spuit in de hand worden aangevallen, dan ben jij wellicht degene die hem uitschakelt en zal ik waarschijnlijk net doen alsof m’n schoenveter los zit, maar als wij samen fietsen, laat er dan geen misverstanden over bestaan: ik ben hier de man. Want ik heb, in tegenstelling tot jou, kennis van de technische mogelijkheden van de dienstfiets.

Weet je wat, dacht ik, laat ik eens vlak achter deze twee politieagenten gaan fietsen, om te luisteren waar onze wetdienende medemens het zoal over heeft tijdens zijn patrouille door onze geliefde hoofdstad. Het was wat moeilijk te verstaan, maar uit wat ik kon opvangen, maakte ik op dat de twee modere helden het hadden over de studie rechten aan de hogeschool te Amsterdam die momenteel gevolgd werd door het vrouwelijk deel van het duo. En het was verdomme geen lichte kost die ze kreeg voorgeschoteld in het pand aan de Wibautstraat. Nee, dat viel nog niet mee. Dat kon meneer agent wel voorstellen. Hij leefde mede, zogezegd, en stootte klanken uit die van dat medeleven blijk gaven. En dan moet u denken aan klanken als ‘goh’ of ‘nou’ of ‘ja, nee, dat begrijp ik’ of ‘tjonge’. Afijn, u kent het wel. Zo voeren sommige mensen een gesprek. En ondertussen was uw nederige dienaar van het geschreven woord en de waarheid bijna in slaap gevallen.

De twee stopten voor een rood licht. Het was een rood licht voor een zebrapad, terwijl er in een straal van tweehonderd meter geen voetganger te bekennen was. Een rood licht, kortom, dat zonder iemand in gevaar te brengen, blindelings genegeerd kon worden. Dankzij het oever- en inhoudsloze gezwam, was ik mij helemaal niet meer bewust van het feit dat die twee oude wijven voor mij bevoegd waren mij te bekeuren voor welke overtreding ik ook maar beging. Vandaar dat ik, vooral om van dat hemeltergende oudewijvengeklets af te zijn, zonder nadenken langs de twee politieagenten, dwars door het rode licht heen reed.

Nou, dat heb ik geweten. “Héé”, zei het vrouwtje, “dat gaat zomaar niet.” In eerste instantie had ik niet eens door dat ze het tegen mij had, dus zonder er acht op te slaan, reed ik rustig door. “Héé jij daar”, zei het mannetje nu, “ben je doof of zo? Je rijdt door rood!” Oh, dacht ik nu, zouden ze het tegen mij hebben? Ik keek om en zag de twee nog steeds voor het inmiddels op groen gesprongen stoplicht staan. Toen ze zagen dat ik omkeek, hief de man zijn rechterarm op en zei hij: “Halt!” Heel even dacht ik erover te stoppen, maar dan ook heel even. Zeg maar de tijd die een kogel nodig heeft om uit z’n loop te komen, zo lang dacht ik erover na voordat ik besloot om op m’n pedalen te gaan staan en het op een fietsen te zetten. “Héé! Stop!”, hoorde ik de man nu met overslaande stem schreeuwen. Waarna er wat geratel klonk: de versnelling werd in het optrekverzet gezet.

Inmiddels raasde ik over de Rozegracht. “Blijf staan”, schreeuwde het mannetje. In volle vaart waagde ik het achterom te kijken, zodat ik nog net kon zien hoe het mannetje zijn fiets in een zwaardere versnelling zette, even mis schakelde, maar zich toen weer herpakte . Het vrouwtje had een lichte voorsprong op hem. Maar uiteraard lang niet genoeg om mij bij te houden, laat staan om in mijn wiel te komen. Ik vloog over het asfalt. Mijn koffiemolentje draaide als nooit te voren. Ik had de benen van Tom Boone in volle sprint. “Halt”, hoorde ik in de verte, “halt of ik schiet.” Jaja, dacht ik, maak dat de kat van de buren wijs, je denkt toch niet dat ik ga stoppen omdat een broekventje als jij, die nog geen Glock van een Smith en Wesson kan onderscheiden, dreigt te gaan schieten met dat klappertjespistool van je. Maar deze gedachte was nog maar halverwege, toen ik drie droge knallen hoorde en een steek in mijn schouder voelde. Negeren, beval ik mijzelf. Doorfietsen Max! Fiets alsof je leven ervan afhangt! Wat eigenlijk als vanzelf ging, want inmiddels was mij wel duidelijk geworden dat mijn leven inderdaad van het goed volbrengen van deze fietstocht afhing.

In volle vaart sloeg ik af naar rechts en vrijwel meteen naar links. Beide knieën schampten om de beurt het asfalt, zoals de kogel zojuist mijn schouder had geschampt. Pas toen ik mijn straat insloeg, durfde ik vaart te verminderen. Ik zette mijn fiets op slot, ging mijn huis in, haalde wat alcohol, watjes en lucifers uit de kast. Ik ontsmette de wond, verpulverde de zwaluwkopjes van de lucifers, verspreidde het poeder over mijn wond en stak ‘m in brand. Ik wist een schreeuw te onderdrukken. Echt comfortabel typen is het evenwel niet.

Advertenties

9 Reacties to “Politie te fiets”

  1. Het voelt aan zoals de verhouding tussen Karel van het Reve en Piet Grijs. Die bewonderden elkaar ook zeer. Karel van het Reve schreef eens: bij alles wat ik schrijf, denk ik: wat zal Piet Grijs ervan vinden? Zal hij het een goed stuk vinden?
    Ongeveer hetzelfde heb ik bij jou.

  2. Molovich said

    Verdomme Ben, je maakt me nog verlegen. Maar goed, laat ik er maar eerlijk voor uitkomen, het is wederzijds. Soms denk ik wel eens: schrijf ik dit niet alleen maar om Ben een plezier te doen? Anderen hebben dat met God. Kun je nagaan. Overigens ben je niet de enige, Ben. Er zijn wel meer mensen van wie ik hoop dat ze het stukje dat ik heb geschreven goed vinden. Soms probeer je ook door de ogen van die mensen je eigen stukje te beoordelen. Dat is trouwens niet zonder gevaren. Zo was ik eens zo trots op een compliment van de door ons beiden gewaardeerde Wouter van den B., dat ik het niveau van het betreffende stukjes al mijn volgende stukjes gunde, wat enigszins writer’s block bevorderend werkte. Ik heb dat streven dan ook maar zo snel mogelijk laten varen. Voor je het weet ben je naar complimentjes aan het hengelen, en dat kan nooit goed zijn.

  3. GDB said

    Ik vind dat je stuk nergens naar lijkt.

    Maar hey, ik ben dan ook GDB le mal aimé.

  4. Molovich said

    Hey GDB, hoe is het ermee?

  5. GDB said

    Slecht. Telkens de temperaturen de pan uit swingen heb ik een down die kan tellen.

    Ik hunker naar een hut in Finland aan de oevers van een meer met ijskoud water.

  6. GDB said

    Muggen die mij steken zijn een kort leven beschoren. Ik heb zo veel haar op m’n lijf dat ze steevast vast komen te zitten in m’n bossages. Als ik er zo over nadenk: ik heb overal te veel haar behalve op die ene plek waar het er het meest toe doet, met name m’n knikker.

    Nou ja, een mens kan niet alles hebben in het leven.

    Wanneer spreken we nog eens af om een pintje te drinken, Max? Hoe lang is dat al niet geleden, zeg?

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: