Een dagje naar het strand

juni 1, 2009

Een dagje naar het strand

Naar aanleiding van dit gezegende pinksterweekend, treft u hieronder een stukje dat eerder verscheen op Bicat. Geïnspireerd op een knus familietafereeltje dat ik enkele jaren geleden op het zonovergoten strand van IJmuiden mocht aanschouwen.

‘Hou je kop, Stijn, of we gaan naar huis!’ Ellen zegt het zonder van haar boek op te kijken. Stijn gaat door met brullen, dit keer vanwege een zandvlo of zo die heeft plaatsgenomen op een van z’n miezerige zandtaartjes. God, wat een loser van een zoontje heb ik toch. Moet je toch zien hoe hij het hele strand bij elkaar loopt te schreeuwen, ik zie kwijldraden in zijn wijd opengesperde bek en slierten speeksel langs zijn kin lopen. Hij krijst en wappert hysterisch met z’n handen. ‘De Duivel draagt Prada’, heet het boek dat Ellen leest.

‘Niet met je handen wapperen!’ schreeuw ik Stijn toe. Nog geen zes jaar oud en hij loopt zich al te gedragen alsof hij royalty watcher bij RTL Boulevard wil worden. Ik geef ’m een tik tegen z’n blonde koppie. Hoe het mogelijk is, weet ik niet, maar hij brult nog harder.

‘Hou je rotkop, Stijn’, sis ik ’m toe, ‘moet nou echt heel het strand weten dat je een mietje bent? Hier, snuit je neus.’ Ik druk een handdoek tegen z’n neus aan en weet zo het gebrul te smoren. Stijn probeert onder m’n greep vandaan te komen, maar meer dan wat zwak kronkelen zit er niet in. Als hij begrijpt dat verzet zinloos is, stopt hij met janken en laat ik ’m los. Maar zodra hij vrij is, begint hij weer te huilen. Zacht en zeurderig dit keer. Ik besluit tot een andere tactiek over te gaan.

‘Als je ophoudt met jammeren’, zeg ik, ‘gaan we voetballen.’ Hij gaat door met jammeren. ‘Ophouden, dan gaan we voetballen.’ Ik pak de bal en gooi ’m tegen z’n kop. Hij kijkt verschrikt naar me op en gaat weer harder janken. Ja Stijn, denk ik, of je nu wil of niet, papa gaat godverdomme een vent van je maken. Ik gooi de bal tegen z’n hoofd. Blonde haartjes vliegen verschrikt alle kanten op. Niks tegen te doen. Het nekje knakt, het hoofdje schudt, de stembandjes brullen. Nadat de bal nogmaals van Stijns kop naar me is teruggestuiterd, leg ik de bal aan de voeten en dribbel ik uitdagend weg.

‘Kom dan, Stijn’, roep ik naar ’m, ‘kom, dan gaan we voetballen op het harde zand.’ Hij stopt aarzelend met janken. Zeker weten of hij me kan geloven doet hij niet, maar ik kijk ’m glimlachend aan en zijn vanzelfsprekende vertrouwen in zijn vader wint het eindelijk weer eens van zijn angst voor mijn toorn. Sukkel. Hij komt achter me aan. Kijk toch, wat een wijverige manier van rennen die zoon van mij heeft. Hij rent met de souplesse van een gekortwiekte krielkip. Ongecontroleerd, meer huppelend dan rennend, z’n armen maaiend in de wind in plaats van strak naast z’n lijf. Met de bal aan de voeten ren ik van ’m vandaan. Hij ziet maar.

Het lijkt een halve middag te duren voordat Stijn eindelijk bij me is. Ik sta met de bal onder m’n voeten. Het is niet eens een leren voetbal, maar zo’n plastic mormel dat bij een beetje behoorlijke trap dankzij de wind dertig meter van z’n lijn afwaait. Maar ja, Stijn wilde een bal met die Spongebob erop en om van het gezeur af te zijn, heb ik ’m die maar gegeven.

Op het moment dat Stijn tegen de bal wil trappen, haal ik die met een simpele voetbeweging weg. Stijn schopt in het luchtledige, maakt een zwieper, belandt op z’n reet en zet het voor de verandering maar weer eens op een brullen. Het ziet er erg grappig uit. Maar net op het moment dat ik ’m wil uitlachen, zie ik dat we worden gadegeslagen door het lekkerste schepsel dat ik vandaag op dit loserstrand van IJmuiden heb mogen aantreffen. Ze staat hand in hand met haar dochtertje dat zo te zien een al even oogverblindende toekomst voor zich heeft. Ze lijkt me van het meelevende soort. En – o wonder – als ik weer naar Stijn kijk, merk ik dat hij is opgehouden met janken en net zo betoverd lijkt als ik. Zou ie dan toch als z’n vader zijn? Ik help Stijn overeind en klop liefdevol het zand van z’n kont. ‘Hier’, zeg ik tegen ’m en leg de bal voor z’n voeten. Hij geeft de bal een onhandige schop. Samen rennen we erachter aan. Ik ben net iets eerder bij de bal en begin Stijn een beetje te dollen. Als ik denk dat hij het bijna opgeeft, laat ik ’m de bal afpakken. Trots kijkt hij eerst richting mij en daarna richting het meisje dat onze voetbalverrichtingen aan het volgen is. Ik lach naar de moeder, ze lacht terug. ‘Schop die bal’, moedig ik Stijn aan. Zijn trap komt een hopeloze vijf meter te kort. ‘Goed schot’, zeg ik tegen ’m en ren naar de bal toe. Ik wip de bal soepeltjes op, hou drie keer hoog en trap ’m gecontroleerd naar Stijn. ‘Op je hoofd’, roep ik. Met z’n ogen stijf dichtgeknepen kopt hij volledig mis. ‘Achter je’, zeg ik en na zich even georiënteerd te hebben, rent hij achter de wegrollende bal aan.

Ik glimlach weer naar het moedertje. Ze glimlacht terug. ‘Wil je ook meedoen?’ vraag ik aan het dochtertje. Ze gaat achter de benen van haar moeder staan.

‘Ze is een beetje verlegen.’

‘Zijn ze dat niet allemaal?’

Maar na een paar keer de bal richting het meisje te hebben geschopt, ontdooit ze en begint ze mee te doen. Stijn probeert het meisje te imponeren met bewegingen die hij niet onder de knie heeft. Het moedertje lacht vertederd, ik lach met haar mee. Op een gegeven moment gaan Stijn en het meisje zo op in hun spel dat ze vergeten dat ik meedoe. Ik ga naast het begeerlijke moedertje staan.

Zij praat en ik beaam. Dat het vermoeiend is, kinderen, maar dat je er veel voor terugkrijgt. En dat ze nooit meer terug wil naar de tijd dat ze Lola nog niet had. En nog meer van het soort gezeik dat sommige moeders uitstoten. Of zouden ze maar doen alsof? Omdat het zo hoort? Omdat het van ze verwacht wordt? Het kan me niks schelen, ik probeer zo min mogelijk naar haar tieten te staren en me op haar mond en ogen te concentreren – wat me overigens aardig lukt, want ze zijn van een hypnotiserende schoonheid. Het is een uur of vier en de zon begint al wat lager te hangen en wat roder te worden. Een paar meeuwen schreeuwen en verder hoor je het vredig kabbelen van de zee en een net zo vredig kabbelen van mensen die het naar hun zin hebben. Het moedertje haalt haar hand door het blonde haar en eventjes vermengt een zweem van kokos zich met de zilte zeelucht. Hier en nu had ik je genomen als we honden waren, denk ik. Ze praat over weet ik veel wat en ze kijkt rond, richting de horizon. En dan stokt haar stem en verstart haar blik. ‘Lola’, roept ze en begint aarzelend te rennen. Verbaasd kijk ik haar na. Ze schreeuwt de naam van haar dochtertje en rent langs de waterkant, in blinde paniek. En ik zie het al voor me, hoe we met honderd vrijwilligers een lange ketting vormen en zo langzaam door het water waden, op zoek naar twee verdronken kinderlijkjes.

Lola en Stijn staan tot hun middel in het water, zo’n twintig meter de zee in. De moeder van Lola rent het water in, pakt haar dochter op, klemt haar tegen haar goddelijke borsten aan, wiegt haar even jammerend heen en weer, pakt dan Stijn bij de hand en loopt het water uit. Stijn kijkt verschrikt naar de vrouw op. Ik sta een beetje verbouwereerd aan de kant en probeer bezorgd te kijken. Zonder me een blik waardig te gunnen, laat ze Stijn achter en rent ze met haar dochtertje tegen haar boezem gedrukt weer terug naar haar plek.

‘Terug naar mama voetballen?’ zegt Stijn nadat we een tijdje zwijgzaam onze droomvrouwen hebben nagekeken.

‘Hou me maar bij’, zeg ik en begin weer te dribbelen. Stijn hobbelt achter me aan. Als ik bijna bij Ellen ben aangekomen, geef ik de bal een trap, precies in haar schoot. Ze schrikt zich het apenzuur en slaat met haar boek de bal weg, alsof het een harige spin is. Ik spring boven op haar en kus haar op de mond. Haar lichaam is warm van de zon. Stijn springt boven op mij. En zo liggen we eventjes gezellig boven op elkaar, als een ideaal gezinnetje, op het strand van IJmuiden. En ik lach en Stijn lacht en zelfs Ellen lacht. Totdat ik iets te onverwacht weer ga staan. Stijn valt van me af. Hij begint weer te janken.

‘Stel je niet aan’, bijt ik ’m toe en geef ’m een klap voor z’n kop.

Advertenties

2 Reacties to “Een dagje naar het strand”

  1. Rigo Reus said

    Ah, kinderen, zijn een zegen – echt.

  2. mescaline said

    Aaah, één tattooagetje kon er toch wel in ?

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: